Bali op de brommer

Op de foto: Sunset bij Tanah Lot.

Ton & Romy: 1 – Mt. Rinjani: 0. We hebben de Rinjani in Lombok een lesje geleerd. Tijd dus voor een nieuwe blog. Niet over onze avonturen op grote hoogte, maar eerst nog over de rest van ons verblijf op Bali. Na de kleine eilanden voor de oostkust, verbleven we drie nachten in Seminyak, een plaats ten noordwesten van Kuta, aan de kust.

Romy had hier al de nodige ervaring opgedaan, aangezien ze er maar liefst negen dagen had doorgebracht voor onze reünie. Wederom met het volste vertrouwen in mijn ingeburgerde vriendinnetje, togen we dus naar het New Seminyak Capsule hostel. Een gloednieuw backpackers hostel, waar we nu eens geen private room, maar een zespersoonsdorm hadden. We kwamen in het begin van de avond aan bij het hostel, aangezien we een late boot hadden genomen vanaf de eilanden, in verband met het duik- en snorkelavontuur. Opfrissen en door!

Hapje en drankje doen op het strand met Vivianne, een jaarclubgenote van Romy die er ook was en Kat, een Brits meisje die Romy onderweg had ontmoet, die ook weer met een vriendin was. Gezelligheid! Seminyak zit vol lekkere en hippe eet- en drinkgelegenheden, waarvan Romy er, geheel volgens verwachting, al een flink aantal had afgestreept. Daarvan zouden we er later nog een aantal uitproberen, want uiteindelijk waren we na een hapje eten al vrij snel toe aan een dutje.

De volgende ochtend uitslapen (ja, dat lukte ons in de dorm!). Na een uitgebreid ontbijt bij Café Bali (aanrader), besloten we een scooter te huren om vanuit Seminyak de omgeving te kunnen verkennen. De eerste bestemming was Tanah Lot, een tempel aan de kust die alleen bij eb te bereiken is. Zigzaggend door het drukke verkeer op Bali heen met Romy achterop.

Na 45 minuten rijden bereikten we in de loop van de middag de tempel. Het was eb dus we konden het gebied rondom het bouwwerk uitgebreid verkennen, daar de stroken zand en rots eromheen niet onder water stonden. We bleven uiteindelijk tot de prachtige sunset, waarna we in het donker weer terug tuften naar Seminyak. Bij een lokale warung (klein familierestaurant) at ik een overheerlijke curry en was Romy helaas iets minder content met haar wat taaie beef teriyaki. Haar maaltje zou de volgende dag echter ruimschoots gecompenseerd worden.

De volgende dag was het plan namelijk om ’s avonds vis te eten aan het strand van Jimbaran. Volgens de reisgidsen dé plek om een maaltje verse vis te scoren. Voordat we onze maagjes dat plezier konden doen, bezochten we overdag eerst nog Uluwatu, een tempelcomplex gelegen op de hoge rotsen in het zuidelijkste deel van Bali. Weer ‘oeter-oeter-oeter’, met Romy op de scooter er naartoe, deze keer iets langer rijden. En… politiecontrole!

De politie op Bali casht wat extra’s door toeristen langs de kant te zetten en te vragen om internationaal rijbewijs en scooterpapieren. Die natuurlijk niemand heeft. Dan zit je dus in enórm grote problemen, tenzij… voor een x bedrag wil de agent je strafbare feit wel door de vingers zien. Dat bedrag is uiteraard onderhandelbaar. Tot grote verbazing van de Indonesische diender was dit hele circus echter deze keer niet van toepassing, daar ik voorbereid was en al in Nederland een internationaal rijbewijs had geregeld. Waarschijnlijk ben ik zo ongeveer de enige toerist die er een heeft. Met een ietwat teleurgesteld en bedrukt gezicht gebaarde de man dat we dan maar snel door moesten rijden; de volgende westerse toeristen reden namelijk vlak achter ons. Afgaande op het beeld in mijn zijspiegel waren die wel de pisang.

Na nog een aantal korte stops onderweg bereikten we Uluwatu. We waren al gewaarschuwd voor de aanwezigheid van talloze brutale apen (nee, geen asociale jeugd, maar de dieren). Onszelf ervan verzekerd hebbende dat we geen zonnebrillen op, oorbellen in, telefoons in de hand of andere waardevolle spullen los bij ons hadden, en met de hand constant op onze rugtas liepen we het gebied binnen.

Helaas was de kleine minion-doll die ik van Michael en Rita had gekregen en die uit logeren was aan Romy’s rugtas, niet stevig bevestigd. Kort nadat we de nog oh zo leuke aapjes op de foto hadden gezet, sprong er eentje achterop de rugtas, om het kleine gele poppetje eraf te trekken. Vervolgens zagen we hoe de aap voor onze ogen de minion vakkundig aan stukken scheurde. R.I.P. minion, we waren niet voor niets gewaarschuwd.

Het schouwspel van mensen die iets aan de aapjes verloren was eigenlijk haast boeiender dan het ook best aardige tempelcomplex. Vrijwel continue zag je apen met zonnebrillen of andere kleine bezittingen rondlopen. De truc om je eigendom weer terug te krijgen, zo zagen we later, was om iets eetbaars naar de aap te gooien. De zonnebril, pet of minion werd dan ineens volledig irrelevant en gedropt ten faveure van de snack.

We kregen er honger van en besloten de aapjes van Uluwatu in te wisselen voor de minder beweeglijke visjes van Jimbaran.

Daar bevinden zich, verdeeld over drie gedeelten op het strand, een stuk of veertig visrestaurantjes. Het recept is overal hetzelfde; een aantal menu’s met verschillende soorten vis en schaaldieren, vers uit de zee, via een marinade op de BBQ. Volgens verschillende mensen die we gesproken hadden is wat research vooraf wel een must. Beter om iets meer te betalen voor de écht verse vis, dan voor een grijpstuiver vis van een of twee dagen ervoor te eten. We kozen, op basis van tripadvisor reviews, voor Lia cafe.

Krab, kreeft, witvis, mosselen, gamba’s en kleine schaaldieren met wat bijgerechten stonden op ons menu, Terwijl de zon langzaam onderging en zich prachtig liet fotograferen, genoten we van ons heerlijke menu, zittend aan een van de vele tafeltjes op het strand. Sfeervoller kan haast niet.

Dat was alweer onze laatste avond in Seminyak. De volgende drie dagen stond Ubud, het ‘culturele hart’ van Bali, op het programma. Er nu op terugkijkend hebben we er vooral het ‘culinaire hart’ van gemaakt. Maar daarover volgende keer meer!