Monkey business

Op de foto: Chillend aapje in Monkey Forest, Ubud.

Hey there! Dit typ ik (nog steeds) vanuit stoel 6D aan boord van vlucht DY7202 in een dreamliner van Norwegian Air (de meeste films aan boord heb ik namelijk al gezien). ETA in Oslo over vijf uur en negentien minuten. We zoeven nu met een gangetje van 850 km/h de Kaspische zee over als ik de monitor boven mijn hoofd mag geloven.

Dat is verder natuurlijk niet relevant. Met mijn hoofd ben ik namelijk momenteel nog op Bali. Maandagavond 24 augustus had ik met Juliët afgesproken een hapje te eten. Wat een chille avond! Het eten bij La Baracca was molto bene, evenals de gesprekken. Aangezien Juul de ochtend erna weer vroeg aan de bak moest, voelde ik me enigszins guilty dat het twaalf uur werd. We spraken af plannen te maken voor het komende weekend. Destination: ergens in het noorden van Bali. Andere invitees: George en Aimée (een Nederlands vriendinnetje van Juliët).

Wat doe je als je om half één je hostel binnenloopt en iedereen wil net op stap gaan? -Dan haal je snel wat biertjes in en ga je mee! Op naar La Favela, de go-to place in Seminyak. Drankjes niet te betalen, maar top qua sfeer. Oplossing: niet teveel bestellen.

Dat het cliché over een kleine wereld waar is, bleek maar weer eens toen ik met een Nederlandse aan de praat raakte die uit Friesland kwam. Die kende wat mensen met wie ik op de middelbare had gezeten. Yep. small world.

De volgende ochtend ging ik surfen met George. Hungover surfing: geen goed idee. Surfen überhaupt: géén goed idee. Ik ben nog nooit zo kapotgemaakt door de zee. En nee, ik heb hier gelukkig een keer géén GoPro opnames van.

We hielden het enkele uren vol op de soms behoorlijk hoge golven. Dat betekent overigens niet dat ik er in slaagde om overeind te komen. No, no, no. Als het me al met veel moeite lukte om door de sterke golven dichtbij te kust heen te breken, om iets verder weg te kunnen wachten op een geschikte golf, was het resultaat vrijwel iedere keer: Ton’s massive wipeout. Ik denk dat we de mensen op het strand wel een vermakelijke middag hebben gegeven. Dat is ook het enige wapenfeit.

Ondanks de vele slokken zeewater, de afgelegde onderwatermetertjes, over mijn hoofd vliegende surfboards en mijn nog naslepende kater, zei ik tegen George dat ik nog één keer wilde proberen om een golf mee te pakken, om hopelijk toch een keer op te staan op de plank.

Met veel moeite worstelde ik me een meter of vijftig uit de kust, toen daar monsterwave was. Ik dacht wel met mijn board onder monsterwave door te kunnen duiken, maar dat ging een beetje mis. Met veel geweld werd ik onderwater meegesleurd richting de kust. Op zich was dat zo weer over en kon ik door. Dacht ik. Ik had namelijk niet gerekend op monsterwave twee. Slokje zeewater en daar ging ik weer. Toen kwam drie. En vier. Ik zou zweren dat ik tijdens de korte momenten dat ik mijn hoofd tussen de afstraffingen door boven water had, George kon horen lachen. De laatste golf sleurde me over de zeebodem en toen ik mijn ogen weer open durfde te doen, zag ik dat de zee me helemaal teruggestuurd had naar start. Als een aangespoelde drenkeling lag ik op het strand.

Toen besloot ik. Zee: 1. Ton: 0. Strijdvaardigheid verdwenen, zoute, gortdroge bek en weinig meer over van mijn waardigheid. Volgende keer misschien toch maar een lesje nemen.

De dag na ons surfavontuur gingen George en ik naar Ubud. Vond ik niet erg, want dan kon ik eindelijk o.a. de Monkey Forest afstrepen. Omdat ik het helemaal niet erg vind dat jullie geen beeld hebben bij mijn surffaal; bijgevoegde foto’s zijn allemaal van Monkey Forest.

We deden ook de rice paddies nog een keer. Deze keer op de scooter over het smalle slingerpaadje dat alle andere toeristen wandelend aflegden. ‘Terrifying’ volgens George.

Verder in Ubud: uiteraard de pulled pork sandwich nog twee keer genomen :-). Ook wilden we graag een hanengevecht zien, als onderdeel van een religieus ritueel. Hoewel me dit in eerste instantie nogal wreed leek, hoorde ik dat deze hanen hun hele leven lang een topleven hebben, vrij rond scharrelen en goed te eten krijgen. Bovendien; de verliezende haan wordt meteen geplukt, geslacht en belandt in de avondmaaltijd. De strijd zelf gaat er niet zachtzinnig aan toe. De hanen worden eerst goed opgefokt en krijgen vervolgens vlijmscherpe mesjes aan de achterkant van hun poten. De eerste haan die slim genoeg is om bovenop de ander te springen is daardoor vrijwel altijd de winnaar. De verliezende haan krijgt in ieder geval een snel einde. Met andere woorden: de scharrelkippen en legbatterijkippen in Nederland hebben het een stuk slechter dan deze Balinese vechthanen.

Jammer dus dat we er, ondanks uitgebreid rondvragen aan een ieder die maar wilde luisteren, niet in geslaagd zijn om zo’n gevecht te vinden. Waar we wel in slaagden: gekidnapt worden door een op het oog vriendelijk oud mannetje die het ons wel zou laten zien. ‘Follow mie.’ Twee uur later en drie tempels verder hadden we wel een cockfighting ring gezien; the real thing, omringd door tribunes, maar van een gevecht was geen sprake. Toen vroeg hij natuurlijk om een absurd bedrag voor wat hij zelf waarschijnlijk een fantastische tour vond. Tuurlijk hebben we hem wat gegeven, maar het feit dat hij met alle geweld niet minder dan 300.000 roepia wilde hebben, was een beetje jammer. Ter vergelijk: anderhalf uur in een taxi kost ongeveer 120.000. Een simpele, maar lekkere nasi goreng, scoor je al voor rond de 30.000. Het equivalent van twee nasi goreng leek ons dus vrij redelijk.

Teruggekomen in Ubud maakten we plannen voor de nog twee dagen in Seminyak / Canggu. De plannen voor daarna waren inmiddels gesmeed: Vrijdagmiddag t/m zondagavond naar Amed, in het noorden van Bali. Op aanraden van een vriendin uit Nederland de accommodatie geboekt. Definitieve guestlist: Juliët, Aimée, George, Ton.

We were in for an awesome weekend! Voordat ik daar over bericht.. Nog eventjes geduld :). Inmiddels nog maar vier uur en achtentwintig minuten tot aankomst in Oslo. Nog zat tijd om één of twee blogjes te tikken dus. See you soon!